Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

0 KENTERING 0

Er is een tijd geweest — de rechtmatigheid van dit perfectum worde mij toegegeven — waarin mannen, die, met jeugdigen ijver en onmiskenbaar goede bedoelingen, tot de herleving der kerkelijke kunst wenschten mede te werken, zonder verzet te ondervinden als grondstelling konden aannemen, dat een zoodanige renaissance zich de kunst der middeleeuwen ten voorbeeld had te houden. En er waren zelfs niet weinigen, voor wie het axioma gold, dat al hetgeen in dien gulden tijd niet was voortgebracht, of althans beproefd, uit den booze en ketterij moest worden geacht.

Wat door Dr. Schaepman volkomen terecht en met wijze bezadigdheid gezegd was: ,,A1 het menschelijke wisselt bij het voortgaan en iedere voortgang is geen vooruitgang nog. Het voortbrengen van nieuwheid op nieuwheid voert niet tot het scheppen van steeds beter en beter" — dit werd door anderen in strikt-exclusieven zin opgevat en leidde hen tot de meening, dat er buiten het Romaansch en de Gothiek geen zaligheid en in afwijking van dezer vormenschat slechts dwaling was te vinden.

Er is maar één antwoord op zoo kleinmoedig denken, en het is met fierheid gegeven door een man, die zeer vooraan staat in de rij der negentiend'eeuwsche Katholieken, Léon Gautier, toen hij uitriep, na een

Sluiten