is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waardoor hij voor eenigen tijd aan dit leven kon ontsnappen, wegsloop. Kon hij zich, onder een of ander voorwendsel van het kantoor zijns vaders verwijderen, dan begaf hij zich naar de lessen over de schedelleer van Prof. Gall, den phrenoloog. Slaagde hij hier niet in, dan wist hij op het kantoor wel een plaatsje te vinden, waar hij een boek of geschrift kon verstoppen, om bij minder scherp toezicht, zich geheel in een geliefkoosde lectuur te verdiepen. Werd hij ook hierin verhinderd dan vergenoegde hij zich, zijn gedachten te laten afdwalen van de taak die hem op het kantoor gegeven was te vervullen en zich geheel over te leveren aan vaak droevige mijmeringen' die zijn hart verbitterden en zijn afkeer steeds vermeerderden'

Openhartig verklaarde hij dan ook later in zijn levensgeschiedenis, dat men moeilijk een slechter handelsman zou gevonden hebben, dan hem: „ Verum enimvero me pejor nullus unquam inventus est mercatorius scriba."

Plotseling kwam de onverwachte dood zijn vaders, in April 1805, dezen toestand, die inderdaad aan een ziekelijke zwaarmoedigheid begon te grenzen, belangrijk verergeren, waarbij de geheimzinnige geruchten omtrent de nog onopgehelderde wijze van sterven niet weinig toe bijdroegen. "Eenigen namelijk schrijven den dood zijns vaders toe aan een zelfmoord, en schijnen ook eenige verklaringen van Arthur zelf deze meeningen te bevestigen; anderen daarentegen hechten meer geloof aan het allereerst verspreide gerucht, dat namelijk Heinrich * lons om het leven zou gekomen zijn door van een zolderluik naar omlaag te storten.

Wat hiervan zij, een opmerkelijk feit is het, dat Schopenhauer zich over het algemeen minder streng toont tegenover zelfmoordenaars, dan jegens hen die zich door een duel het leven Jaten benemen; ja, dat hij zelfs een zeker goed recht tracht te eischen voor den zelfmoordenaar, wat doorniemand bestreden kan worden, en zijn evenmensch belet hem hierin af te keuren.

Inmiddels groeide Arthur's afkeer voor den handelsstand steeds aan, maar ofschoon hij de hand zijns vaders niet meer boven zich zag en zijn moeder haar woonplaats verlegde naar Weimar, scheen de wil zijns vaders hem toch zoo heilig, dat hi] deze levenswijze bleef voortzetten, en het kantoor, waar zijn pessimisme en zijn zwaarmoedigheid rijkelijk voedsel vonden, hem dagelijks zag terugkeeren.

Het moet voor den jongen, levendig begaafden Arthur inderdaad een zware strijd geweest zijn, zich bewust te weten dat hij dagelijks voortsnelde in een richting, welke zoo geheel