Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schreef hij aan Goethe: „Na een arbeid van meer dan vier jaren hier in Dresden heb ik het dagwerk mijner handen volbracht en zoo is het vooreerst gedaan met zuchten en jammeren. Daarom ga ik nu van hier weder weg, en heb het plan gevormd, een reis te maken naar het land, „wo die Citronen blühen," „nel bel paese dove il si suona" zegt Dante, en waaraan ik toevoeg: waar mij het „neen, neen, neen" van

alle litterarische tijdschriften mij niet bereiken zal

Mijn werk, wat nu bij Michael verschijnt, is de vrucht niet alleen van mijn verblijf alhier, maar in zekeren zin van mijn leven. Want ik geloof, dat ik nooit iets beters, of iets van grooter gehalte tot stand zal brengen; werkelijk ben ik van meening, dat Helvetius gelijk had te zeggen, dat in den mensch van zijn 30e tot hoogstens zijn 35e levensjaar door den indruk der wereld alle gedachten opgewekt zijn, waartoe hij in staat is en alles wat hij later levert, alleen de ontwikkeling van die gedachten is. Mij gaf nu een gunstig lot uitwendig de gelegenheid, en inwendig den onweerstaanbaren drang, om vroeg en versch te leveren, wat anderen, b.v. Kant, alleen als vruchten der jeugd, gemarineerd in de azijn van den ouderdom, op konden disschen. Ik sta nu in het 31e jaar mijns levens. De titel van het boek, die behalve aan den uitgever en aan mij, nog aan niemand bekend is, luidt: „De wereld als wil en voorstelling," vier boeken, alsmede een aanhangsel dat de kritiek der Kantiaansche wijsbegeerte bevat. Ik heb Brockhaus opgedragen, u een schoon exemplaar toe te zenden. Na onze wijsgeerige gesprekken van weleer, kan ik niet nalaten, groote verwachtingen te koesteren, omtrent uw bijval, indien u nog het geduld hebt, u in den gedachtengang van een ander in te lezen. Het werk zal minstens veertig vel beslaan." Goethe antwoordde hem hierop met zijn gewone kortheid:

Het was mij zeer aangenaam, eindelijk weder eens iets van U te hooren. U gaat haastig en vol opgewektheid uwen weg, waarover ik U gelukwensch. Het aangekondigde werk zal ik met alle belangstelling lezen. Als wij ons zooveel moeiten getroosten om te weten te komen wat onze voorvaderen gedacht hebben, zouden wij dan onzen waarden tijdgenooten niet evenveel aandacht schenken! Dat het artikel „Kleur" in de nieuwe Lexicon verschijnt, is uitstekend; veel zou daarbij in herinnering gebracht kunnen worden, maar alles moet een begin hebben. Waren wij eerst maar van die controvers af, die

Sluiten