is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zinnigheid anderzijds, moesten hem tot menig hard oordeel medeslepen.

In den grond genomen zal eigenlijk ieder geestelijk hoog ontwikkeld mensch blootgesteld zijn aan het gevaar, om een menschenverachter te worden.

Wanneer men bijvoorbeeld Goethe's menschenvijandige uitingen bijeentelde, zou men tot een niet onaardig aantal komen, en hij die overigens niets van Goethe wist, zou hem wegens deze allerminst vleiende beoordeelingen als een knorrigen misanthroop beschouwen.

Gwinner is op dergelijke wijze te werk gegaan, heeft alle bittere uitspraken aaneengeregen en het gevolg ervan was een ontzettend geschreeuw over den ondeugenden Schopenhauer.

Nu was echter Goethe niet alleen het troetelkindje zijner moeder, maar ook dat van de meeste menschen, ja, van de fortuin zelf.

Schopenhauer daarentegen had een bijzonder zwaarmoedigen vader gehad, en een moeder die hem volstrekt niet vertroetelde, bracht ook een lastig en zwartgallig temperament mede ter wereld, stond van den beginne af aan geheel alleen op eigen beenen, door verreweg de meesten onbegrepen, en moest onder deze miskenning en ongerechtigheid der menschen, lijden op een wijze, zooals er maar weinigen onder geleden hebben.

In werkelijkheid zijn bij Schopenhauer noch de hoedanigheid van zijn karakter, noch een grondige kennis van de menschelijke zwakheden, voldoende, om zijn eindelooze variaties over het woord van Bias: „De meeste menschen deugen niet!" te verklaren.

Yele van zijn booze uitdrukkingen zijn eigenlijk niets anders dan pogingen, om voor zichzelf troost te zoeken. Hij was onpleizierig van humeur en eenzaam; hij snakte als het ware naar iemand die op hem geleek, en vond niet wat hij zocht.

Nu zeide hij tot zichzelf: „Maak 't uzelven toch niet zoo benauwd; ge hebt immers niets aan de menschen; hoe meer ge u gewaar wordt, hoe dom en nietswaardig de meesten zijn, des te meer zult ge met uw eigen eenzaamheid tevreden zijn."

Juist zijn ergste uitingen dateeren uit zijn jeugd, want de teugelloosheid die aan dezen leeftijd eigen is, cn de behoefte aan mededeelzaamheid en aan medegevoel, die dan het sterkst op den voorgrond treden, dreven hem tot dergelijke uitbarstingen.

Zijn latere droevige ervaringen, de ongehoorde miskenning, welke zijn werken ten deel viel, en de niet alleen inwendige