is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men er van zou kunnen leven. Daartoe ontbreekt het haar aan de allereerste, voor een goed bezoldigde katheder-philosophie onmisbare vereischte, vooral geheel en al aan een speculatieve Theologie, welke toch juist, — ondanks Kant met zijn Kritiek der Rede — het hoofdthema van alle philosophie zal en moet zijn, wanneer deze daardoor tevens de taak opgelegd werd, voortdurend over datgene te spreken, waarvan zij eenvoudig niets weten kan; ja, mijn philosophie bevestigt zelfs geen enkelen keer, de door de philosophie-professoren zoo slim verzonnen en hun onontbeerlijk geworden fabel van een onmiddellijk en absoluut kennende, beschouwende of waarnemende rede, die men slechts bij den aanvang zijne lezers behoeft op te dringen, om daarna, evenals met een vierspan, op de gemakkelijkste wijze ter wereld, het gebied aan gene zijde der mogelijkheid van alle ervaring binnen te rijden, dat door Kant volkomen en voor altijd voor onze kennis beperkt is geworden. Daar vindt men dan de gronddogma's van het moderne, judaiseerende, optimistische christendom onmiddellijk geopenbaard en op de schoonste wijze uiteengezet.

Wat ter wereld gaat nu mijn philosophie, waaraan de wezenlijke vereischten ontbreken, die onbeschaamde, morrige philosophie, die geen onderhoud kan verschaffen, — die tot haar poolster enkel en alleen de waarheid heeft, de naakte, onbeloonde, onbevriende en dikwijls vervolgde waarheid heeft, zonder naar rechts of naar links te kijken en recht op haar afstuurt die alma mater, aan die goede, onderhoud verschaftende universiteits-philosophie, die belast en beladen met honderden bedoelingen en duizenden bijbedoelingen, behoedzaam en al waggelend den weg afkomt, terwijl zij onafgebroken de vreeze des Heeren, den wil van het ministerie, de bepalingen van de staatskerk, de eischen der uitgevers, den bijval der studenten, de goede vriendschap der collega's, den gang van de politiek van den dag, de tegenwoordige richting van het publiek en wie weet wat nog meer voor oogen heeft?

Of wat heeft mijn stil en ernstig zoeken naar waarheid gemeen met het luidruchtig schoolgeraas van katheders en banken, waarvan de innerlijke drijfveer steeds persoonlijke doeleinden zijn?

Beide soorten der philosophie zijn veeleer van den grond af aan vreemd aan elkander. Daarom leen ik mij aan geen verstandhouding of kameraadschap, en komt bij mij niemand in tel, dan diegene, die niets dan de waarheid zoekt, dus geen enkele van de tegenwoordige philosophisclie partijen, want zij