Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

algemeen register te vervaardigen op al zijne werken. „U heeft weleer eens den goeden inval gehad, een register op mijn werken te willen maken; eerst nu zou dit plan ten uitvoer gebracht kunnen worden, daar de cyclus voltooid is; zij moet echter zeer nauwkeurig en volledig zijn. Deze zou men steeds kunnen raadplegen, en gadeslaan hoe alles klopt."

Verschillende kleine uitstapjes, welke Schopenhauer in deze jaren deed, doen vermoeden dat er in hem als het ware een nieuwe levenslust ontwaakte.

Terwijl zijn roem zich verspreidde, begon hij ook de zonnige zijde des levens meer te genieten, en herkennen wij in hem „den gezelligen grijsaard" die na een leven vol arbeid zijn „ouden dag" in kalmte en rust doorbrengt. lederen zomer was hij gewoon, zich eenige dagen naar Mainz te begeven, waar hij er een bijzonder genoegen in vond, bij de uitvoeringen der militaire muziek tegenwoordig te zijn.

Eveneens bracht hij in 1854 een dag te Afschaffenburg door, met het doel om daar het „Pompejaansche Huis" te bezichtigen. Naarmate de mensch het einde zijns levens nadert, en hij dit met de jaren onder zijn handen ziet wegvlieden, begint hij veelal de waarde der gezondheid en der lichaamskrachten hooger te schatten, is er dikwijls meer aan gehecht dan in zijn vroege jeugd, en spreekt er gaarne over. Dit onderwerp keert dan ook in Schopenhauer's brieven herhaaldelijk terug, dikwijls zelfs weidde hij er breedvoerig over uit. In Maart van het jaar

1856 schreef hij dienaangaande: „ik loop nog steeds als

een hazewindhond, gevoel mij uitstekend, en blaas bijna dagelijks mijn fluit; des zomers ga ik zwemmen in de Main, wat ik het laatst zelfs nog op den 19en September gedaan heb; ik blijf ook bevrijd van de gebreken van den ouderdom en mijn oogen zijn nog geheel en al zooals in mijn studentenjaren. Alleen ben ik een weinig lijdende aan mijn gehoor, maar van dit overgeërfde gebrek had ik reeds last in mijn jongelingsjaren en is mij daarna altijd bijgebleven. Drie en dertig jaren geleden werd mijn rechteroor ten gevolge van eene ziekte bijna geheel doof; het linker bleef goed; nu echter neemt ook dit, sedert ongeveer vier jaren langzaam en geleidelijk af. In een gesprek bemerkt men dit niet zoozeer, zoolang ik de personen aan mijn linkerkant en in mijn nabijheid heb, en zij niet bijzonder zacht spreken; maar in den schouwburg is mij dit zeer hinderlijk."

Het moet ook niet zoozeer verwondering wekken, dat de oude Schopenhauer zich nu en dan tot een min of meer over-

Sluiten