is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan het einde van het jaar 1854 gaf hij een tweede verbeterde en vermeerderde uitgave van „De Wil in de Natuur" in het licht bij den boekhandelaar Hermann te Frankfort a. M., alsmede, bij Hartknoch in Leipzig, een zelfde herdruk van zijn „Verhandeling over het gezicht en de kleuren."

Terzelfdertijd begon hij meer en meer de leemte te gevoelen die bestond in zijn werken door het ontbreken van een geschikt, zaakkundig en uitvoerig register op zijn wijsgeerig stelsel. Schopenhauer heeft deze leemte nooit aangevuld gezien; eerst in onze dagen is ons tot de werken van Schopenhauer een gemakkelijken toegang verschaft door het voortreffelijk register in de uitgave van de Gezamenlijke Werken van Schopenhauer door Ed. Griesbach, wiens biografische opgaven wij ook in de levensschets van den wijsgeer grootendeels volgen.

In 1857 werd Carl Bahr's behandeling van de prijsvraag, door de Philosophische faculteit van Leipzig uitgeschreven, bekroond. Zij verscheen ditzelfde jaar in druk onder den titel: „De wijsbegeerte van Schopenhauer uiteengezet in haar hoofdlijnen en kritisch toegelicht." Carl Bahr, die in het jaar 1893 te Dresden overleed heeft ons eenige belangrijke mededeelingen bewaard aangaande het karakter van den grijsaard, dat zich ook op dien hoogen leeftijd niet verloochende. Nu en dan werd hij nog aangegrepen door een ziekelijke overspanning zijner zenuwen, een kwaal, welke wij bij geheel zijn geslacht waargenomen hebben, en die zich bij den ouden Schopenhauer somtijds door de zonderlingste symptomen deed kennen. Het eerste bezoek, dat Bahr den wijsgeer bracht, had weinig aangenaams voor hem, en moet hem wel altijd diep in het geheugen gegrift gebleven zijn. Op zijn aankloppen — het was 12 uren in den middag — ,binnen" hoorende roepen, opende hij de deur van Schopenhauer's vertrek, verwachtende hem hartelijk te kunnen begroeten. „Tot mijn ontsteltenis, — zoo deelde Bahr later aan zijn vader mede, — zag ik hem echter, half aangekleed, midden in de kamer staan. Hij trad op mij toe, keek mij eenige oogenblikken strak aan en vroeg mij haastig, alvorens ik mij verontschuldigen kon, en met een afwijzend handgebaar: „Wat wilt u van mij ? Ik ontvang geen bezoek! Wat zoekt u iiier?" Ik was volkomen uit het veld geslagen, trachtte mij te excuseeren en bracht tegelijkertijd uwen brief uit mijn zak te voorschijn. Hij wilde dezen onmiddellijk aannemen, maar ik verzocht hem, mij te veroorloven, op een geschikter oogenblik terug te komen, wat zijn opgewondenheid onophoudelijk vermeerderde. Hij liep in zijn kamer op en neder