is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar veeleer „Die Welt als Wille und Vorstellung" (a Jove printipium); alsmede, dat „de kleinere Geschriften", in deze volgorde: „Satz vom Grunde", „Wille in den Natur" en „Ethik" als integreerende gedeelten van Schopenhauer's Philosophie in het derde deel samengevat moeten worden, en „Parerga en Paralipomena" het vierde en vijfde deel moeten vormen.

Niet zoo duidelijk zijn de bepalingen over de rangschikking der „Kleurenleer", waarom den Uitgever omtrent deze dan ook een vrije beschikking gelaten is.

Onder de kleinere Geschriften van Deel III heeft namelijk Schopenhauer in zijn bepalingen van 22 September het geschrift „Over het zien en de kleuren" niet uitdrukkelijk genoemd. Daar echter de beide deelen „Parerga und Paralipomena" de laatste moeten vormen (IV en Y) van de volledige uitgave zal het zijn bedoeling geweest zijn, de kleurenleer aan het einde van het derde deel te plaatsen.

De reden echter, waarom de „kleinere geschriften" aan Parerga voorafgaan, kan niet toegepast worden op de kleurenleer. Dit geschrift is namelijk geen integreerend gedeelte van zijn philosophie. Dit heeft Schopenhauer zelf onomwonden te kennen gegeven.

In de aangegeven volgorde, waarin zijn geschriften gelezen moesten worden, verklaart hij: „De kleurenleer staat op zichzelf, * en in overeenstemming hiermede had hij reeds in zijn schrijven van 5 Januari 1852 aan Lindner te kennen gegeven:

„De verhandeling over het zien en de kleuren, behoort er niet noodzakelijk bij, maar is toch goed om medegelezen te worden."

Waarom zij „goed medegelezen kan worden" heeft Schopenhauer in zijn tweede uitgave aangegeven. Hij zegt daar, dat haar inhoud slechts voor het kleinste gedeelte tot de philosophie, voor het grootste echter tot de physiologie behoort. Toch zal dit laatste ook voor den lezer, die enkel de philosophie op het oog heeft, niet geheel onvruchtbaar blijven, omdat een nauwkeuriger kennis en een vastere overtuiging omtrent het volkomen subjectieve wezen der kleuren, bijdraagt tot een grondiger begrip der leer van Kant over de eveneens subjectieve, intellectueele vormen al onzer kennissen, en daarom een zeer geschikte philosophische voorschool vormt."

Volgens deze verklaringen vormt dus het physiologische gedeelte van het geschrift over het zien en de kleuren wel is waar geen integreerend gedeelte zijner philosophie. Evenmin' echter het philosophisch gedeelte.