Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De posthume uitgever is dus, volgens al de hierboven aangehaalde redenen, gerechtigd, ja wordt er toe gedrongen, het geschrift over het Zien en de Kleuren af te scheiden van de kleinere geschriften, en dit met de Theoria Colorum aan het einde der volledige uitgave te plaatsen. Hierdoor volgt hij tegelijkertijd nauwkeurig de bepaling van Schopenhauer van 8 Augustus 1858 volgens welke de Kleurenleer het slot van de geheele uitgave moet vormen. Daar echter het vijfde deel, wat het 20 boek der Parerga bevat, eveneens te omvangrijk zou worden, wanneer men er nog de Kleurenleer wilde bijvoegen, wordt de uitgever van de volledige uitgave genoodzaakt, aan de door Schopenhauer vastgestelde vijf deelen, nog een zesde, de Kleurenleer bevattende, toe te voegen.

Ik mag hier niet stilzwijgend de opmerking voorbijgaan, dat wanneer hierboven aangetoond werd, dat de Kleurenleer geen integreerend gedeelte van Schopenhauer's Philosophie vormt, hierom natuurlijk niets over de waarde van dat geschrift gezegd zou moeten worden.

Maar de Kleurenleer van Schopenhauer vormt eigenlijk veeleer een zijner onvergankelijkste en roemrijkste titels. Dit is dan ook door bevoegde physiologen erkend geworden. Prof. J. N. Czermak zegt dienaangaande in zijn verhandeling „Ueber Schopenhauer's Theorie der Farbe" : „Het blijft Schopenhauer's verdienste, in de Kleurenleer een geheel nieuwen en juister weg ingeslagen, en door zijn physiologische Theorie den meest algemeenen en wezenlijken grondslag van iedere ware Kleurenleer gelegd te hebben."

Dezelfde orde, welke Grisebach in deze uiteenzetting voorvecht, heeft hij dan ook gevolgd in zijn volledige uitgave van Schopenhauer's werken.

HOOFDSTUK IV.

De wereld als wil.

Instemming met of afstand van den wil tot het leven.

Het zou ons te ver voeren en het ligt ook niet in ons plan, een geheele vertaling van Schopenhauer's hoofdwerk te geven. Slechts eenige passages, en daaronder de voornaamste, kunnen

Sluiten