is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en wiens levensmoed zoo groot was, dat hij, tegen alle genietingen des levens in, alle moeielijkheden en smarten, waaraan hij onderworpen is, gewillig en gaarne aannam, zulk een zou „met vaste, onwankelbare beenen op de goed afgeronde, blijvende aarde" staan en niets te vreezen hebben: gewapend met de kennis, welke wij bij hem veronderstellen, zou hij den dood onverschillig op de werken van den tijd naderbij zien snellen, hem beschouwend als een valschen schijn, als een machteloos spookbeeld om zwakkelingen schrik aan te jagen, maar dat over hem geen macht bezit, daar hij weet dat hij zelf zijn wil is, wiens objectivatie of afbeelding de geheele wereld is, wien dus het leven ten allen tijde verzekerd blijft, alsmede het tegenwoordige, de eigenlijke eenige vorm, van het verschijnsel van den wil.

De wil bevestigt zichzelf: d. w. z. terwijl hem in zijn objectiteit, d. i. in de wereld en in het leven, zijn eigen wezen als voorstelling volledig en duidelijk gegeven wordt, belemmert deze kennis zijn wil toch geenszins, maar dit aldus gekende leven wordt door hem juist als zoodanig gewild, weleer zonder kennis, als blinde drang, nu echter met kennis, bewust en overdacht.

Het tegendeel hiervan, de afstand van den wil tot het leven, vertoont zich, wanneer na de kennis het willen een einde neemt, doordat de gekende afzonderlijke verschijnselen dan niet meer als motieven van den wil werken, maar de geheele kennis van het wezen der wereld, welke door de opneming der ideën verkregen is, zich zelf aldus vrij opheft tot grondstof (rustpunt) van den wil.

Deze geheel onbekende en in deze algemeene termen moeilijk te begrijpen begrippen, zullen duidelijker worden, door de weldra volgende uiteenzetting van de phenomenen, hun wijzen van handelen, in welke eenerzijds de instemming in haar verschillende graden, en anderzijds de afstand van den wil zich openbaart.

Want beide gaan weliswaar uit van de kennis maar niet van een abstracte, die zich in woorden uitdrukt, doch van een levendige kennis, die zich alleen in daden en levenswandel openbaart en onafhankelijk blijft van dogma's, die daarbij, ais abstracte kennis, de rede bezig houden.

Beiden uiteen te zetten, en dezen aan de rede duidelijk te doen kennen, kan hier alleen mijn doel zijn, niet echter de eene of andere voor te schrijven of aan te bevelen, wat even dwaas als doelloos zou zijn, daar de wil in zichzelf vol-