is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De wensch, het verlangen, is alleen een noodzakelijk gevolg van den tegenwoordigen indruk, zij het dan van een uitwendigen prikkel, of van een inwendige voorbijgaande gemoedsstemming, en is daarom even onmiddellijk noodzakelijk en zonder overleg, als het handelen der dieren; daarom ook drukt het, evenals bij dezen, alleen het soortkarakter uit, niet het individueele, d. w. z. het geeft alleen te kennen, waartoe de mensch in het algemeen, niet waartoe de individu, die dit verlangen gevoelt, in staat is.

De daad alleen is, omdat zij reeds als menschelijke handeling, steeds een zeker overleg vereischt, en omdat de mensch in den regel zijn rede machtig, en daarom bedacht is, d. w. z. volgens gedachte abstracte motieven beslist, de uitdrukking der intelligibile maximen van zijn handelen, het resultaat van zijn innerlijkst willen, en stelt zich in dezelfde verhouding, als een letter tot het woord, hetgeen zijn empirisch (waarnemend) karakter kenmerkt, dat zelf slechts de tijdelijke uitdrukking van zijn intelligibel karakter is.

Daarom bezwaren, bij een overigens gezond gemoed, alleen daden, geen gedachten of verlangens, het geweten. Want alleen onze daden houden ons den spiegel van onzen wil voor oogen.

De hierboven vermelde, volkomen onoverlegde en werkelijk tengevolge van een blinde aandoening bedreven daad, is in zekeren zin een tusschen-ding tusschen een eenvoudig verlangen en een besluit, daarom kan zij door ware spijt, die zich echter ook als een daad voordoet, als een uitgewischte streep, uit het beeld van onzen wil weggevaagd worden.

Overigens mag hier, als een zonderlinge gelijkenis, de opmerking plaats vinden, dat de verhouding tusschen verlangen en daad, een geheel toevallige maar nauwe analogie heeft met die tusschen electrische mededeeling en electrische verdeeling.

Volgens deze geheele verhandeling over de vrijheid van den wil, en wat daarop betrekking heeft, zien wij, ofschoon de wil in zichzelf en buiten het verschijnsel vrij, ja almachtig genoemd kan worden, dat hij in zijn afzonderlijke, door de kennis verlichte verschijnselen, dus in menschen en dieren, door motieven bepaald wordt, waarop ieder karakter, steeds op dezelfde wijze, volgens bepaalde wetten, en noodzakelijk reageert.

Wij zien, dat de mensch, krachtens de hem toekomende abstracte of redekennis, een beslissende keuze op de dieren vóór heeft, die hem echter alleen tot strijdperk van het conflict der motieven maakt, zonder hem aan haar heerschappij