Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voortdurend: behulpzaam, welwillend, vriendelijk, weldadig waren, zijn wegens de relatie van hun wijze van handelen met den wil van anderen — in het algemeen — goede menschen genoemd geworden.

Het tegenovergestelde begrip duidt men in het Duitsch en sedert honderd jaren ongeveer ook in het Fransch, bij kennende wezens (dieren en menschen) door een ander woord aan dan bij niet-kennende wezens, namelijk door: boosaardig: méchant, terwijl in bijna alle andere talen dit onderscheid niet plaats heeft, en malus, cattivo, bad, zoowel voor men¬

schen als voor levenlooze zaken gebruikt worden, welke niet overeenkomen met het doel van een bepaalden individueelen wil.

Daar de beschouwing dus geheel en al van het passieve gedeelte van het goede uitgegaan was, kon zij eerst later op het actieve gedeelte overgaan en de handelwijze van den goed genaamden mensch niet meer in betrekking tot anderen, maar tot hun zelf onderzoeken, bijzonderlijk door voor zich de verklaring te zoeken, deels van de zuiver objectieve hoogachting, die zij in anderen, deels aan de eigenaardige tevredenheid met zichzelf, die zij in hem teweeg bracht, daar hij deze zelfs met offers van anderen aard kocht, alsmede van de inwendige smart, die de slechte gezindheid vergezelde, hoewel uitwendige voordeelen deze ook bezorgde aan hem, die haar koesterde.

Hieruit sproten nu de ethische stelsels voort, zoowel de wijsgeerige als die welke op een of andere geloofsleer steunden.

Beiden zoeken steeds, de gelukzaligheid op eenigerlei wijze in verband te brengen met de deugd; de eersten hetzij door het beginsel van tegenstrijdigheid, hetzij door het beginsel der voldoende reden, terwijl zij de gelukzaligheid ofwel als iets identieks met de deugd, ofwel een gevolg er van beschouwen, maar altijd sophistisch.

De laatste daarentegen, door het aannemen van andere werelden, dan die welke door de ervaring gekend kunnen worden.

Hier tegenover zal, volgens onze beschouwing, het natuurlijk wezen der deugd blijken te zijn: een streven in een richting, geheel tegenovergesteld aan die van het streven naar gelukzaligheid, d. w. z. naar welzijn en naar leven.

Overeenkomstig het hierboven uiteengezette, is het goede, volgens zijn begrip, tuv trpoc n, dus ieder goed, in zijn wezen betrekkelijk; zijn wezen bestaat namelijk alleen in zijn betrekking tot een begeerenden wil. Het absoluut goede is dus een tegenstrijdigheid; het hoogste goed, summum bonum, beteekent

Sluiten