Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dezen wil beschouwt Schopenhauer als een blinde, allesbeheerschende natuurdrift, een drang of een streven, om zich te uiten, om zich uiterlijk te openbaren; daarom noemt hij de natuurkrachten den wil in de natuur: „De wil als ding aan zich is één, zijn verschijnselen in ruimte en tijd zijn echter ontelbaar."

In de toepassing van deze gedachte —en hierin is de groote tegenstrijdigheid van Schopenhauer's wijsgeerig stelsel gelegen — is hij genoodzaakt, zoowel den wil in eigenlijken zin, namelijk als vermogen van het bewuste streven, ter hulp te nemen, alsook de begrippen van tijd en van oorzakelijkheid, die hij hem, als een grondstelling, d. w. z. principieel ontzegt, er toch op toe te passen.

Om zijn bewering te staven, dat de geheele wereld niets anders is, dan het verschijnsel van een enkelvoudigen hoofdwil, voert Schopenhauer aan, dat de werkzaamheid van onzen wil en die van ons lichaam slechts vormen zijn van een en dezelfde verrichting; de eerste geraakt hierbij tot verschijnsel en voorstelling, waarom ons lichaam de daarstelling van onzen wil is.

Evenzoo is het gesteld met alle andere dingen die in ruimte en tijd voorkomen. Tusschen de eenheid van den wil en de veelvoudigheid der wezens, staat echter volgens Schopenhauer, de idee, als de uitsluitend eenige onmiddellijke objectiviteit van den wil.

De ideën zijn de trappen van de daarstelling van den wil, die langs een regelmatig voortschrijdende gradatie van de meest algemeene krachten en eigenschappen der natuur opstijgen tot op het planten- en dierenrijk en ten laatste tot op den mensch, de eeuwige en onveranderlijke vormen van de ontstaande en vergaande individueele dingen.

Iedere trap in deze gradatie van wils-verschijnselen betwist den anderen de stof, de ruimte en den tijd. Ieder wezen toont dus de idee aan, waarvan het als het ware een afbeelding is, slechts na aftrek van dat gedeelte van de kracht, welke aangewend wordt, om de lagere ideën te overtreffen.

De wil kan ook vergezeld gaan van kennis, maar uit geschiedt slechts op den bovensten trap, die namelijk waarop zich de mensch bevindt. De kennis dient oorspronkelijk den wil tot het leven; in den mensch kan zij zich echter van deze dienstbaarheid los maken.

Het genie maakt zich meester van de eeuwige ideën, en brengt dezen tot werkelijkheid door middel van de kunst.

Sluiten