Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewoon hoogen graad ontwikkeld worden. De volkomen afstand van den wil tot het leven, waarin het medelijden zelf geworteld is, kan door de ascese met zooveel intensiteit in een individu overheerschen, dat hij heiligen voortbrengt. In dezen openbaart zich de volmaakte afstand van den wil en bereikt de individu, door zijn wil als het ware te dooden, den hoogsten trap van zedelijkheid. Door geen verlangens gekweld, daar hij van hun bevrediging afstand doet, en door geen smarten of lijden aangetast, omdat hij in den afstand van zijn wil juist het hoogste genot smaakt, geniet hij in dien toestand een onverstoorbare kalmte en rust en vindt zelfs in de dingen, welke anderen de grootste smarten baren, zijn hoogste genot.

Het mag inderdaad wel wat gewaagd genoemd worden, deze strenge ascese, welke wij veeleer zouden zoeken en beperkt wenschen tot hen die het kloosterleven omhelzen, zij het dan bij monniken, of kluizenaars, of boeddhistische bonzen, of lamapriesters, of Indische fakirs, in het dagelijksche leven te willen zien ingevoerd en opbloeien. De menschelijke natuur is over het geheel niet genegen, en vooral niet gewoon, en, als massa er dus uiterst moeielijk toe te bewegen, de ellenden en smarten, die de gevolgen zijn van rampen in het dagelijksche leven, te verzachten of geheel uit te wisschen, door middel van dergelijke verheven beschouwingen, waartoe niet iedereen in staat geacht kan worden, maar neemt veeleer zijn toevlucht tot duizenderlei andere, meer practische en meer tastbare middelen, welke de wereld hem aanbiedt, zooals rijkdom, macht, eer, aanzien, beschaving, enz.

Niet allen bezitten dezelfde stoïcynsche gelijkmatigheid van karakter, welke Schopenhauer — en dit zelfs niet op onafgebroken gelijkvormige wijze, — kenmerkte; immers zelf kon hij zich niet bedwingen, in woede te ontsteken bij de gedachte dat zijn hoofdwerk, „De Wereld als Wil en Voorstelling" zich slechts in een schaarsch debiet mocht verheugen.

Behalve zijn persoonlijk pessimisme, oefenden de onafgebroken studie van de Veda's en de boeddhistische zedeleer, waarvan de sporen in geheel zijn werk bijna op iedere bladzijde teruggevonden worden, alsmede zijn geestdrift voor de Indische vrijwillige martelaars en die Christelijke asceten die tengevolge van een principieel overdreven verachting van het menschelijk bestaan, al te harde meesters voor zichzelf waren, een onmiskenbaren en grooten invloed uit.

De nooit en door niets gestoorde rust, welke diegene geniet, welke den afstand van den wil tot zijn hoogste volmaakt-

Sluiten