Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van gevolgtrekkingen volgens het beginsel van den grond van het kennen vormend, van alle geestvermogens het meest het geheugen bezig houdt, om namelijk al de vroegere stellingen, waarop men zich beroept, bij de hand te hebben.

Ook heeft de ondervinding bevestigd, dat groote geniën in de kunst, niet geschikt zijn tot de beoefening der mathematische wetenschappen.

Nooit was een mensch in beiden tegelijkertijd zeer bedreven.

Alfieri verhaalt dat hij zelfs nooit de vierde stelling van Euclides heeft kunnen begrijpen.

Goethe is dikwijls genoeg een gebrek aan kennis der mathematica verweten geworden door de onverstandige tegenstanders van zijn kleurenleer: inderdaad was hier, waar het niet op rekenen en meten volgens hypothetische gegevens, maar op onmiddellijke verstandskennis van oorzaak en gevolg, aankwam, dit verwijt zoo geheel ongegrond en niet ter plaatse, dat zij evenzeer daardoor hun volkomen gebrek aan oordeelsvermogen, als door hunne overige Midas-uitspraken aan den dag gelegd hebben.

Dat nog heden, bijna een halve eeuw na het verschijnen van Goethe's Kleurenleer, zelfs in Duitschland de Newton'sche vonken ongestoord in het bezit der leerstoelen blijven en men voortgaat, met den hoogsten ernst van de zeven homogene lichten en hun verschillende breekbaarheid te spreken — zal eenmaal onder de groote intellectueele karaktertrekken der menschheid in het algemeen, en van de Duitsche ontwikkeling in het bijzonder, opgeteekend worden.

Door dezelfde boven aangehaalde redenen wordt het even bekende feit verklaard, dat omgekeerd, uitstekende mathematici weinig bevattelijkheid aan den dag leggen voor de werken der schoone kunsten, wat met bijzonder veel naïviteit in het licht treedt in de bekende anecdote van dien Franschen mathematicus, die na de „Iphigénie" van Racine gelezen te hebben, schouderophalend vroeg: „Qu'est ce que cela prouve?"

Daar voorts de scherpe opvatting der betrekkingen overeenkomstig de wet der causaliteit en motivatie eigenlijk de verstandigheid uitmaakt, en de geniale kennis daarentegen niet op de betrekkingen gericht is, zal een verstandige, voor zoover en terwijl hij het is, niet geniaal, en een geniale, voor zoover en terwijl hij het is, niet verstandig zijn.

Eindelijk staat de beschouwende kennis, in welker gebied de idee is gelegen, lijnrecht tegenover de redelijke of abstracte, welke geleid wordt door het beginsel van den grond van het kennen.

Sluiten