is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vorige eeuw het beschouwende kenvermogen met den naam van „laagste zielsvermogen" bestempelde, zal men het toch niet zoo buitensporig dwaas, noch den bittersten spot waardig vinden, zooals Jean Paul in zijn „Vorschule der Aesthetik" zich veroorlooft te doen, dat Adeling, die de taal van zijn tijd moest spreken, het genie in een „merkbare kracht van de laagste zielsvermogens" plaatste.

Welke groote voortreffelijkheden wij aan dit zooeven genoemde werk van dien bewonderenswaardigen man ook moeten toekennen, moet ik hier toch aanstippen, dat overal, waar de theoretische uiteenzetting en over het algemeen een onderrichting zijn doel is, de onophoudelijk schertsende en met bloote gelijkenissen te werk gaande voorstelling, niet de daartoe aangewezene kan zijn.

De beschouwing is het, die het eerst het eigenlijke en ware wezen der dingen, al is het ook op begrensde wijze, ontsluit en openbaart. Alle begrippen en alle gedachten zijn slechts abstracties en gedeeltelijke voorstellingen die uit haar, en alleen door wegdenken, zijn ontstaan.

Iedere diep ingrijpende kennis, jazelfs de eigenlijke wijsheid, zijn geworteld in de beschouwende opvatting der dingen. Deze beschouwende opneming is het geheele voortbrengingsproces geweest, waardoor ieder echt kunstwerk, iedere onsterfelijke gedachte hun levensvonken ontvingen.

Ieder oorspronkelijk denken geschiedt door voorstellingen. Uit begrippen daarentegen ontstaan de werken van het eenvoudig talent, de louter redelijke gedachte, de nabootsingen, en over het algemeen alles, wat slechts berekend is op de tegenwoordige behoefte en de omgeving.

Was nu onze beschouwing steeds aan de werkelijke tegenwoordigheid der dingen gebonden, dan zou hun stof volkomen onder de heerschappij van het toeval staan, dat de dingen zelden doelmatig regelt, en ze ons meestal in zeer gebrekkige exemplaren verschaft.

Daarom wordt de verbeeldingskracht vereischt, om alle belangrijkste voorstellingen des levens te vervolmaken, te rangschikken, af te schilderen, vast te houden, en naar willekeur opnieuw voort te brengen, naarmate het dool eener diep ingrijpende kennis en van een beteekenisvol werk, waardoor het kenbaar gemaakt moet worden, zulks vereischt.

Hierop berust de hooge waarde der verbeeldingskracht, in zooverre zij voor het genie een onontbeerlijk werktuig is, want