is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reeds Aristotoles had volgens Cicero (Tusc. I, 33) beweerd, omnes ingeniosos melancholicos esse, dat alle genien tot zwaarmoedigheid gestemd zijn, wat ongetwijfeld betrekking heeft op de passage 30, 1 van Aristotoles' Problemata. Ook Goethe zegt:

„Meine Dichtergluth war sehr gering,

So lang ich dem Guten entgegenging:

Dagegen brannte sie lichterloh,

Warin ich vor droliendem Uebel floh. —

Zart Gedicht, wie Regenbogen,

"Wird nur auf dunkeln Grund gezogen:

Darum behagt dem Dichtergenie Das Element der Melancholie."

Dit laat zich hierdoor verklaren, dat, terwijl de wil zijn oorspronkelijke heerschappij over het intellect steeds opnieuw laat gelden, dit zich, onder ongunstige persoonlijke omstandigheden, gemakkelijker aan hem ontrukt, omdat het zich gaarne afwendt van onaangename toestanden, om zich in zekeren zin te verstrooien, en zich nu met des te grooter energie op de buitenwereld richt, dus gemakkelijker zuiver objectief wordt. Gunstige persoonlijke omstandigheden werken omgekeerd.

In het algemeen echter berust de melancholie die het genie vergezelt hoofdzakelijk hierop, dat de wil om te leven des te duidelijker het gebrekkige van zijn toestand doorziet, naarmate hij door een helderder intellect verlicht wordt.

De zoo vaak opgemerkte droefgeestige stemming van uitnemend begaafde geesten heeft haar zinnebeeld in den Mont Blanc wiens top meestal bewolkt is; maar wanneer nu en dan, vooral

i j vroeSen morgen, de wolkensluier doorbreekt en de berg badend in den rosigen zonnegloed, van uit zijn hemelhoogte boven de wolken op Chamounix nederblikt, dan vormt dit een tafereel, waarbij ieder hart zich tot in het diepst getroffen gevoelt. °

Aldus vertoont ook het meestal melancholische genie van tijd tot tijd de hierboven geschilderde eigenaardige behagelijkheid die aan hem alleen mogelijk is, aan de volmaaktste objectiviteit des geestes ontspringt en als een aureool om zijn hoog voorhoofd zweeft; in tristitia hilaris, in hilaritate tristis.

Alle knoeiers zijn dit, bij slot van rekening, alleen daardoor dat hun intellect, nog te vast verbonden met hun wil, slechts onder zijn aansporing in werking treedt en daarom juist geheel dienstbaar aan hem blijft.

Dientengevolge zijn zij tot niets dan persoonlijke doeleinden in staat. Dit is de reden, waarom zij slechte'schilderingen,