is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keur werkzaam te zijn. Aldus is het genie een aan zijn bestemming ontrouw geworden intellect.

Hierop berusten de nadeelen, die er aan toegeschreven worden, en om deze te beschouwen, zullen wij den weg inslaan van de vergelijking van het genie met het minder beslist overwicht van het intellect.

Het intellect van den normaalmensch, streng aan den dienst van zijn wil gebonden, en daarom eigenlijk alleen bezig met het opnemen der motieven, kan beschouwd worden als een bundel draden, waarmede elk dezer poppen op het wereldtooneel in beweging gebracht wordt.

Hieruit vloeit de droge, gemaakte ernst van de meeste lieden voort, welke slechts door dien der dieren, die nooit lachen, overtroffen wordt. Het genie daarentegen zou men, met zijn ontketend intellect, kunnen vergelijken met een der levende menschen, die met de groote draadpoppen van het beroemde Milaaneesche poppentheater medespeelden, en die onder hen de eenige zou zijn, welke alles kon waarnemen, en zich daarom gaarne voor eenige tusschenpoozen van het tooneel verwijderde, om van uit een loge van dit schouwspel te genieten, — en dit is de geniale bedachtheid. —

Maar zelfs de bepaald verstandige en redelijke man, dien men bijna wijs zou kunnen noemen, verschilt nog bijzonder veel van den genius, en wel daardoor, dat zijn intellect een practische richting behoudt, op de keuze der allesbeste doeleinden en middelen bedacht is, daarom dienstbaar aan den wil blijft, en dientengevolge volkomen naar zijn natuur werkzaam is.

De onwankelbare, practische levensernst, welke de Romeinen met het woord gravitas vertolkten, veronderstelt, dat het intellect niet den dienst van den wil verlate, om af te dwalen naar hetgeen hem niet aangaat; daarom laat hij niet het zich van elkander verwijderen van intellect en wil toe, wat een voorwaarde van het genie is.

De verstandige, ja de uitstekende kop, welke tot groote werken op practisch gebied geschikt is, is dit juist daardoor, dat de objecten zijn wil levendig aandoen en aansporen hun verhoudingen en betrekkingen rusteloos na te sporen. Ook zijn intellect is dus vast vergroeid met den wil.

Voor den genialen kop daarentegen zweven, in zijn objectieve waarneming, de verschijnselen der wereld als iets vreemds voor de oogen, als een onderwerp der beschouwing dat zijn willen uit het bewustzijn verdringt.