is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Om dit punt draait het onderscheid tusschen de geschiktheid tot daden en die tot werken.

De laatste verlangt objectiviteit en diepte der kennis, welke een volkomen afzondering van het intellect van den wil veronderstelt. De eerste daarentegen verlangt de aanwending van de kennis, tegenwoordigheid van geest, en vastberadenheid, wat vereischt, dat het intellect onafgebroken den wil dient.

Daar, waar de band tusschen intellect en wil verbroken is, zal het intellect, dat van zijn natuurlijke bestemming is afgeweken, den dienst van den wil verwaarloozen; het zal b. v. zelfs in den drang van het oogenblik zijn emancipatie nog laten gelden en niet kunnen nalaten, de omgeving vanwaar den individu het gevaar van het oogenblik bedreigt, van haar schilderachtigste zijde op te nemen.

Het intellect van den redelijken en verstandigen man daarentegen is steeds op zijn post, en op de omstandigheden en haar vereischten gericht, zulk een man zal in alle gevallen besluiten tot hetgeen het beste past aan de zaak en dit ten uitvoer brengen, en gevolgelijk voMrekt niet tot excentriciteiten, persoonlijke misstappen of dwaasheden vervallen, waaraan het genie is blootgesteld, omdat zijn intellect niet uitsluitend de aanvoerder en bewaker van zijn wil blijft, maar, nu eens meer, dan weder minder door het zuiver objectieve afgeleid wordt.

Het contrast wat bestaat tusschen de beide hier abstract voorgestelde, volkomen verschillende soorten van geschiktheid, heeft Goethe ons in Tasso en Antonio aanschouwelijk gemaakt.

De dikwijls opgemerkte verwantschap van het genie met den waanzin berust eveneens noodzakelijk op de scheiding van het intellect van den wil, die aan het wezen van het genie eigen maar toch tegennatuurlijk is.

Dit moet echter volstrekt niet hieraan toegeschreven worden, dat het genie vergezeld zou gaan van een geringere intensiteit van den wil, daar het veeleer een heftig en hartstochtelijk karakter veronderstelt, maar het moet hierdoor verklaard worden, dat de practisch begaafde, de man van de daad, alleen de geheele en volle maat van het voor een energieken wil vereischte intellect bezit, terwijl de meeste menschen zelfs hiervan ontbloot zijn; en dat het genie daarentegen in een volkomen abnormale werkelijke overmaat van intellect bestaat, zooals er tot den dienst van geen enkelen wil vereischt wordt.

Daarom zijn de mannen der groote werken duizendmaal zeldzamer dan de mannen der daden. Deze abnormale over-