is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maat van het intellect is het, waardoor dit het besliste overwicht verkrijgt, zich losmaakt van den wil, en nu, zijn oorsprong vergetend, uit eigen kracht en veerkrachtigheid vrij werkzaam is; waaruit de scheppingen van het genie ontstaan.

Het feit, dat het genie bestaat in de werkzaamheid van het vrije, d. w. z. van den dienst van den wil geëmancipeerde intellect, heeft ten gevolge dat zijn producten tot geen nuttige doeleinden dienen. Er mag dan gemusiceerd, gefilosofeerd, geschilderd of gedicht worden — een werk van het genie is geen ding tot eenig nut.

Onnuttig te zijn, behoort tot het karakter van een werk van het genie; het is zijn adelsbrief.

Alle overige werken der menschen worden tot stand gebracht, ten behoud of ter verlichting van ons bestaan; alleen die. waarover hier sprake is, niet; zij alleen bestaan om hun zelf, en kunnen in dezen zin als de bloemen of het zuivere product van het bestaan beschouwd worden.

Daarom gaat bij het genot er van ons hart open, want wij verheffen ons daardoor boven den zwaren aardschen ether der behoeftigheid.

Door een zekere analogie zien wij bovendien het schooue zelden met het nuttige vereenigd. De hooge en schoone boomen dragen geen ooft; de eigenlijke ooftboomen zijn kleine, leelijke verschrompelde boompjes.

De dubbele tuinroos is niet vruchtbaar, maar de kleine wilde nagenoeg reukelooze is het wel. De schoonste gebouwen zijn niet de nuttigste, een tempel is geen woonhuis. Een mensch van verheven en zeldzame geestesgaven gelijkt, wanneer hij genoodzaakt wordt zich op een louter nuttige zaak, waartoe de gewoonste mensch gewassen zou zijn, toe te leggen, op een kostbare met heerlijke schilderingen versierde vaas, die als keukenpan gebruikt zou worden; en nuttige lieden vergelijken met geniale mannen, staat gelijk met bouwsteenen met diamanten te vergelijken.

De enkel practische mensch gebruikt dus zijn intellect tot datgene, waartoe de natuur het bestemd heeft, namelijk tot opneming van de betrekkingen der dingen deels tot elkander, deels tot den wil van den kennenden individu.

Het genie gebruikt het daarentegen, in strijd met zijn bestemming, tot het opnemen van het objectieve wezen der dingen. Zijn hoofd behoort daarom niet aan hem, maar aan de wereld, tot wier verlichting hij op de een of andere wijze zal bijdragen.