is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die van de moeder herkomstig is, door ongunstige omstandigheden kan verkwijnen.

Voorts heb ik hier nog een bijzondere opmerking bij te voegen over het kinderlijk karakter van het genie, d. w. z. over een zekere gelijkenis, welke bestaat tusschen het genie en den kinderlijken leeftijd. Op dezen leeftijd namelijk, is, evenals bij het genie, het hersen- en zenuwstelsel beslist overwegend, want zijn ontwikkeling snelt die van het overige organisme ver vooruit, zoodat reeds op het zevende jaar de hersens haar volledige ontwikkeling en massa bereikt hebben.

Ten opzichte hiervan zegt Bichat; „Dans 1'enfance le système nerveux, comparé au musculaire, est proportionnellement plus considérable que dans tous les ages suivans, tandisque, paria suite, la pluspart des autres systèmes prédominent sur celui-ci. On sait que, pour bien voir les nerfs, on choisit toujours les enfans. (De la vie et de la mort. Art. 8 § 6).

Het laatst daarentegen begint de ontwikkeling van het voortplantings-stelsel, en eerst bij het intreden van den mannelijken leeftijd zijn prikkelbaarheid, reproductievermogen en geslachtsverrichtingen in volle kracht, waarop zij dan in den regel het overwicht over de hersenfuncties nemen.

Hierdoor wordt verklaard, dat kinderen over het algemeen zoo verstandig en schrander, zoo weetgierig en leerzaam, ja, over het geheel, tot alle theoretische verrichtingen meer aanleg toonen en geschikter zijn dan volwassenen. Zij bezitten namelijk ten gevolge van dien ontwikkelingsgang meer intellect dan wil, d. w. z. dan neiging, begeerte of hartstocht.

Want intellect en hersens zijn één, evenals het geslaclitsstelsel één is met de heftigheid van alle begeerten, waarom ik dit het brandpunt van den wil genoemd heb.

Juist omdat de heillooze werkzaamheid van dit stelsel nog sluimert, terwijl die der hersenen reeds in volle beweging is, is de kinderlijke leeftijd de tijd der onschuld en van het geluk, het paradijs des levens, het verloren Eden, waarheen wij, gedurende onzen geheelen levensloop, smachtend terugblikken.

De grondslag van dit geluk echter is, dat gedurende den kinderlijken leeftijd geheel ons bestaan veel meer in het kennen, dan in het willen gelegen is, welke toestand tevens nog van buiten gesteund wordt door het nieuwe van alle voorwerpen. ^ Vandaar ligt de wereld, in den morgenglans des levens, zoo frisch, met zoo betooverenden luister, en zoo aantrekkelijk voor ons. De zwakke begeerten, de ongestadige en de onbeduidende zorgen der kindschheid zijn tegenover deze overheer-