Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schende kennende werkzaamheid slechts een zwak tegenwicht.

De onschuldige en heldere blik der kinderen, waarin wij ons verlustigen en die somtijds in enkelen de verheven contemplatieve uitdrukking evenaart, waarmede Raphael zijn engelenkopjes verheerlijkt heeft, kan uit het aangehaalde verklaard worden.

Overeenkomstig hiermede ontwikkelen de geestvermogens zich veel vroeger, dan de behoeften, welke zij bestemd zijn te dienen; en hierin gaat de natuur, zooals overal, zeerdoelstrevend te werk. Want gedurende dezen tijd van overheerschend intellect verzamelt de mensch een grooten voorraad kundigheden voor toekomstige, hem nu nog vreemde behoeften.

Daarom is zijn intellect nu onophoudelijk in werking, neemt begeerig alle verschijnselen op, peinst er over na en bergt ze zorgvuldig op voor de komende tijden, hierin gelijk aan de bij, die veel meer honing verzamelt dan zij verteren kan, in hét voorgevoel van toekomstige behoeften.

Ongetwijfeld is datgene wat de mensch tot op zijn manbaarheid verwerft aan oordeel en kennis, over het geheel genomen, meer, dan alles wat hij nadien leert, al zou hii ook nog zoo geleerd worden - want dit vormt den grondslag van alle menschelijke kennis.

Tot op denzelfden tijd overheerscht ook in het kinderlijk lichaam de plasticiteit, wier vermogens zich later, nadat zij hun werk voltooid hebben, daar een metastase op het voortplantingssysteem werpen, waardoor met de manbaarheid de geslachtsdrift intreedt en de wil nu langzamerhand de overhand verkrijgt.

Op den overheerschend theoretischen, leergierigen, kinderlijken leeftijd volgt de onrustige, nu eens stormachtige, dan weder zwaarmoedige jeugd, welke daarna in den heftigen en ernstigen mannelijken leeftijd overgaat.

Juist omdat in het kind deze van onheilen zwanger gaande drift ontbreekt, is zijn willen zoo gematigd en aan zijn kunnen ondergeschikt, waaruit dat karakter van onschuld, verstandigheid en vernuftigheid ontstaat, wat den kinderlijken leeftijd eigen is.

Waarop nu de overeenkomst van de kindschheid met het genie berust, behoef ik nauwelijks meer aan te geven: in het overschot van het kenvermogen over de behoeften van den wil, en in het daaruit voortvloeiende overheerschen van de kennende werkzaamheid.

In werkelijkheid is ieder kind in zekeren zin een genie, en

Sluiten