is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hun vrijheid herkrijgen, en de een naar zijn gezin, de ander naar zijn vaderland terugkeeren, inderdaad een onuitsprekelijk, zuiver, rein, onvermengd geluk smaken, ook dan wanneer de eerste zijn huisgenooten in behoeftige omstandigden zou aantreffen en de laatste zijn landerijen verkocht of zijn bezittingen verwoest zou vinden: zoozeer behoudt het geluk bij de gedachte aan de doorstane rampen, waarbij voor hen geen andere kan vergeleken worden, het overwicht boven de gedachte aan mogelijke rampen, die de een in zijn gezin, de ander in zijn vaderland, zouden kunnen overkomen.

Met allen eerbied voor de pessimistische beschouwingen van den wijsgeer, mogen wij ons inderdaad verheugen, dat de werkelijkheid niet zoo wanhopig schijnt, als men na het lezen van de hierachter volgende hoofdstukken geneigd zou zijn te gelooven.

OVER DE NIETIGHEID EN HET LIJDEN DES LEVENS.

Ontwaakt uit den nacht der onbewustheid tot het leven, ziet de wil zich als individu, in een eindelooze en onbegrensde wereld, onder tallooze individuen, die alle streven, lijden en dwalen en als door een bangen droom snelt hij terug tot zijn oude onbewustheid.

Tot dan toe echter zijn zijn verlangens onbeperkt, zijn aanspraken onuitputtelijk, en ieder bevredigd verlangen baart een nieuw.

Geen enkele bevrediging, welke ter wereld mogelijk is, zou in staat kunnen zijn, zijn verlangens te stillen, aan zijn begeerten een einddoel te stellen en den bodemloozen afgrond van zijn hart te vullen.

Hiernaast beschouwe men, wat de mensch aan bevredigingen van welke soort ook, in den regel bereikt; het is meestal niets meer dan het karige onderhoud voor zijn bestaan dat met onafgebroken inspanningen en voortdurende zorgen, in den strijd met de ellende, dagelijks bemachtigd wordt, met den dood in het vooruitzicht.

Alles in het leven wijst er op, dat het aardsche geluk bestemd is om verijdeld, of als een illusie genoten te worden. Hiertoe ligt in het diepst van het wezen zelf de innerlijke aanleg.

Daarom verloopt het leven van het meerendeel der menschen droevig en kort. De naar verhouding gelukkigen zijn het meestal slechts in schijn, of zij zijn, evenals zij, die een hoogen ouder-