is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kracht verkiest voor te stellen, maar wat in werkelijkheid ontstaan en bestaan kan.

Nu is deze wereld op zoodanige wijze ingericht als zij zijn moest om ternauwernood te kunnen bestaan; ware zij nog een klein weinigje slechter, dan kon zij zelfs niet eens meer bestaan.

Dientengevolge is een slechtere, wijl zij niet zou kunnen bestaan, volstrekt niet mogelijk, en zij zelf daarom, onder de mogelijken, de slechtste. Want niet alleen, wanneer de planeten tegen elkander aanbotsen, maar ook wanneer van de storingen, die zich in haar banen werkelijk zouden voordoen, de een of andere, in plaats van door anderen weder langzamerhand geneutraliseerd te worden, voortging met in kracht toe te nemen, zou de wereld weldra haar einde genaderd zijn; den sterrenkundigen is het bekend, van welke toevallige omstandigheden dit afhankelijk is, namelijk meestal van de ongeëvenredigde verhouding der omloopstijden tot elkander, en hebben zich de hersens gepijnigd om uit te rekenen, uat het altijd nog goed kan afloopen, en dus de wereld nog bestaan en voort kan duren.

Ofschoon Newton een tegenovergestelde meening aanhing, willen wij hopen, dat zij zich niet misrekend hebben, en het mechanische perpetuum mobile, dat in het planetenstelsel verwezenlijkt is, niet, evenals al het overige, ten slotte tot stilstand gerake.

Onder de harde schors der planeten sluimeren nu die geweldige natuurkrachten, welke een toeval in werking brengt, en deze met alles wat er op leeft, moeten vernietigen, zooals dit op de onze minstens reeds driemaal plaats heeft gehad, en waarschijnlijk nog wel meermalen plaats zal hebben.

Een aardbeving van Lissabon, van Haïti, een verwoesting van Herculanum en Pompei zijn slechts kleine, weinig beteekenende toespelingen op deze mogelijkheid. Een geringe wijziging van de atmospheer, welke zelfs door de scheikunde bijna niet aangetoond kan worden, veroorzaakt cholera, gele koorts, enz., waardoor millioenen menschen weggerukt worden; een iets grootere zou alle leven uitdelgen. Een zeer matige verhooging van warmte zou alle stroomen en bronnen uitdrogen.

De dieren hebben aan organen en krachten maar juist genoeg ontvangen, wat voldoende is, om zich hun levensonderhoud te verschaffen en hun jongen niet zonder de uiterste inspanning groot te brengen; daarom moet een dier, wanneer het een zijner ledematen, of slechts het volledige gebruik er van verliest, gewoonlijk geheel omkomen.