Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ramp te beschouwen; daar iedere ramp, evenals ieder geluk, noodzakelijkerwijze het bestaan, jazelfs het bewustzijn veronderstelt ; met het leven houdt dit echter op, evenals in den slaap of een onmacht; zijn afwezigheid komt ons dus niet voor als een ramp, wij zijn er mede bekend en vertrouwd, terwijl zijn terugkeer slechts het werk van een oogenblik is.

Van uit dit standpunt beschouwde Epicurus den dood en zeide daarom zeer juist: „ó óxvxtos npoc y,hxz (de dood gaat ons niets aan) met de verklaring er bij gevoegd, dat wanneer wij bestaan de dood niet bestaat, en wanneer de dood bestaat, wij niet bestaan. (Diog. Laert. X 27.)

Verloren te hebben wat niet vermist kan worden is blijkbaar geen ramp; daarom kan het niet-zullen bestaan ons evenmin hinderen als het niet-bestaan-hebben.

Van uit het standpunt der kennis blijkt er dus volstrekt geen reden te bestaan om den dood te vreezen; maar in het kennen bestaat het bewustzijn, daarom is de dood voor het bewustzijn geen ramp.

Bovendien is het niet dit kennende deel van ons Ik, dat den dood vreest; alleen van den blinden wil gaat de fuga mortis, de vrees voor den dood uit, waarvan alles wat leven heeft vervuld is.

Aan den wil behoort zij echter, zooals hierboven reeds werd aangestipt, als iets wezenlijks toe, juist omdat hij wil om te leven is, wiens geheele wezen bestaat in den drang om te leven en te bestaan, en die niet oorspronkelijk met kennis gepaard gaat, maar slechts ten gevolge van zijn objectivatie in dierlijke individuen.

Wanneer nu de wil, door middel van de kennis, den dood als het einde van het verschijnsel, waarmede hij zich geïdentificeerd heeft en waartoe hij zich dus beperkt ziet, gewaar wordt, dan verzet geheel zijn wezen zich met alle macht tegen hem... Overeenkomstig hiermede is, hetgeen ons den dood zoozeer doet vreezen, niet het einde des levens, daar dit niemand bijzonder der moeite waard kan schijnen om te betreuren, maar veeleer de vernietiging van het organisme, omdat dit_ eigenlijk de wil zelf is, die zich als lichaam daarstelt.

Deze verwoesting gevoelen wij echter alleen in de kwellingen der ziekte, of van den ouderdom; de dood zelf daarentegen bestaat, voor het subject, alleen in het oogenblik, waarop het bewustzijn verdwijnt, doordat de verrichtingen van de hersenen ophouden.

De hierop volgende verbreiding van het ophouden (der ver-

Sluiten