is toegevoegd aan uw favorieten.

Arthur Schopenhauer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of aan het einde van een min of meer langen zin dit teeken: _ n _ plaatst, en daardoor, zooals iedereen die heeft leeren lezen weet, aantoont, dat het daarachter volgende of het onmiddellijk voorafgegane, mijn woorden en niet de zijnen zijn — en het dan toch niet mijn woorden zijn, maar hetzij een zeer heterogeen mengsel van mijn woorden en perioden met zijn woorden en perioden — of een verminkte samenkoppeling van mijn perioden, tot stand gebracht door uitlating van tusschenzinnen, die juist de eigenlijke beteekenis van den geheelen zin aangeven, — of eigenlijk niets anders dan een monster van een periode gevormd door samenvoeging van afzonderlijke zinnen, die mij afzonderlijk wel toebehooren, maar in mijn boek op ver van elkander verwijderde en zeer verschillende bladzijden verstrooid staan, en ieder op de plaats en in het verband waarin hij voorkomt alleen een juiste beteekenis uitdrukt en zijn waren zin heeft, — wanneer nu daarenboven in zulk een monsterachtige periode nog een menigte stellingen en gedachten ingevlochten zijn, die ik volstrekt nooit en nergens uitgesproken heb, en nu geheel dit afschuwelijk namaaksel daar, door het toegevoegde leesteeken: — „ — als mijn authentieke woorden afgedrukt staat; — wanneer, zeg ik, zulk een anonieme heer zich zulke verontwaardigingwekkende vervalschingen veroorlooft, — dan brandmerk ik hem, niet anoniem maar in het publiek, als een anoniemen belasterenden leugenaar.

Nu zeg ik, dat dit alles heeft plaats gehad in de „ Jenaischen Literatur-Zeitung" in het namaaksel, dat in den jaargang van het jaar 1820, de nummers 22G tot 229, en de bladzijden 377 tot 402 beslaat.

En daarom zal ik hier de afzonderlijke passages aangeven, die daar, op leugenachtige wijze door het teeken — „ — als waren zij mijn authentieke woorden, aangehaald zijn geworden.

Bladzijde 389, onderaan, tot 390 bovenaan, staat als ware het door mij uitgesproken, iets wat in een dergelijk verband nooit door mij geschreven is geworden.

Evenmin is ooit de daarop volgende periode, welke begint met het woord „De geschiktheid" door mij geschreven.

Nergens in mijn boek staat de periode, die op bladzijde 394 aangehaald is: „De alleenwaardeering, enz. —

Nergens de daaropvolgende, nagenoeg onzinnige periode: „Ter

uitbreiding, enz. tot aan: „het onrecht".

Nergens de daaropvolgende zin: „Ofschoon hij wel ten gevolge van een duister vermoeden, enz., — ofschoon er wel uitdrukkingen, die ik gebruikt heb, aan gemengd zijn geworden.