Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dikke klêeren, zeilen, aan den arm der mannen, de vrouwen; hun breed-uitstaande rokkenmassa's deinen bij 't gaan in langzaam-gecadanceerde wieging, als een schip op kalme golven.

Ze lachen weinig. Onder de witte, gladde kapjes staan hun dik-roode, allen-gelijke gezichten verveeld, vadzig; de oogen kijken onverschillig naar wie hen voorbijgaan en ze praten, strak vooruitziend, met de mannen, trage, onwillige woorden, met groote pauzes van zwijgen.

Alleen hier en daar een paar jonge meiden, die hard gichelen met haar jongens. Als dikke trillers van leven in de warme, doode avondatmosfeer, trillen hun stemmen over de lage huizen heen.

Boven, op den dijk, bij de sluizen, is een troepje kleine jongens aan 't knikkeren.

Hun blonde hoofden buigen aandachtig boven het putje, waar een, geknield, zijn handvol knikkers in moet schieten.

Alle overigen houden de handen in de zakken, sjorren er mêe, van tijd tot tijd, hun broek op, recht even overeind, en dan weer bukkend over 't putje.

Hun lijzige stemmen haspelen door elkaar, over 't spel, in vadzig twisten en kibbelen, omdat een valsch doet....

„Nei, nei, gie mot neet gie mot neet ens Krêlis,

gie mot jong vort dan "

Er is iets vreemds, iets oneigenlijks in al hun doen, iets grappig-statigs, als van ouwe heeren

Sluiten