is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Miester, hê je nog 'n ouwe das veur me?"

„Miester, je heb me nog 'n stief kroagie beleufd !"

„En miester, mie 'n Engelsche boks!"

„Houden jullie nou je monden, hè?" vond Adriaan minachtend, 't geen weer opnieuw geschreeuw uitlokte, verzeld van lawaaiige gebaren met lange armen.

„O miester, foei wat zeg je daar, miester? Miester!!"

Zij kwamen nu langs den molen van „ouwe Sanne". Ouwe Sanne woonde er met haar zoon, die den molen beheerde, maar Lange-Jan was bijna nooit thuis; hij pierewaaide in de stad, zeiden de boeren, en de molen stond bijna altijd stil.

Heel bovenin, op een klein zoldertje, moest ouwe Sanne leven, de heks, zei men; maar niemand wist er 't rechte van omdat niemand den molen durfde beklimmen en Sanne ook nooit zich liet zien.

De boeren waren stil geworden nu ze bij den molen kwamen; de Roomschen onder hen sloegen een kruis.

Die malle, bijgeloovige lummels, dacht Adriaan bij wijze van machtelooze wraak op zijn kwelgeesten.

Donker, in plompe ruwe omtrekken, zette het logge molen-lichaam zich tegen den transparanten hemel af, met flauw-gebogen reusachtige rieten kap, die hier en daar bleek schitterde onder een eersten straal van de maan. En, vreemd, maar 't scheen Adriaan of een smal kolommetje van geligen rook langzaam omhoog krinkelde de lucht in.

Er was geen wind en daarom verspreidde de rook