Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als zij een kwartier later het wagentje weêr onder 't gatig-molmend afdakje bezijden de hut getrokken heeft, hoort zij al een rauwe stem door het deur-gat haar roepen, die haar zich in doet krimpen en klein maken, als een hond die bang is voor slaag.

„Thea!" gil-krijscht gebiedend de stem, en nog eens, dreigender nog:

„Thea! waar zit je toch meid?! "

Bevend op haar zwakke beentjes, gloeiend van warmte en angst, komt het kind nader, wil de hut binnengaan, juist op het oogenblik dat in de gapig-donkere deurholte een vrouw verschijnt, een mager-beenige gestalte in een smerig jak, een norsch-bleek gelaat waarom slordig vuilrosse haren slieren, die zij, ongeduldig, telkens onder 't spreken met haar langen skelettigen arm poogt weg te strijken. De diepe oogen staren dof, zonder licht; in den nijdig-kwaadaardigen toon van haar stem klinkt toch iets mats, iets onverschilligs, als sprak ze zonder wil, zonder bewustheid, nu ze, kort, aan het kind vraagt: „Woar hê-je gezéten zooienk?"

Het meisje, tenger en slap, met iets van juffertjesbevalligheid, nu meer nog uitkomend bij de slungelige, spichtige gedaante van de vrouw, jokt, bevend, met een klagend stemmetje: „Mien vuut, 'k het 'm verstuikt,

kos nie wijer veurt " waarbij haar lichaampje kleiner

nog wordt en tengerder, voelend de vlijm-striemende slagen al die ze zal krijgen.

De oogen van de vrouw, zonder een glansje leven,

4

Sluiten