is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rilde van angst; haar tanden klapperden; een plotselinge kou sloeg tegen haar hittig voorhoofd.

En zenuwachtig lachend, buiten zichzelve, zei ze snel achter elkaar: „Goa wegk, toe goa wegk, zeg ik je, goa noar de andere meides, die willen je wel, Koat Slof wil noa Koat Slof as-je 'n wief mot...."

Hij bleef haar maar aanzien met zijn idioten dronkem ansblik; deed weer een pas voorwaarts.

„Nei, ik mot jou " zei hij koppig, met iets drenzigs

als van een klein kind.

Toen deed ze een wanhopigen sprong, langs hem heen tusschen de boomen door, naar 't zandpad, en liep ze, liep ze, tot haar adem haar begaf.

Geurte-moei noemde haar mal, dat ze Rooie Koo niet hebben wou. Hij had geld en as-i nuchter was, was hij zoo kwaad niet. En wat wou ze dan, haar heele leven ongetrouwd blijven? Jongens die 't met haar houden wilden natuurlijk genoeg, maar trouwen? Ze-zouwe-d'rzien-komme-zonder-cente! Waar wachtte ze dan nog op, dat ze Koo niet nam nu ze hem krijgen kon?

Dan lachte Thea maar, een bleek, bangelijk lachje, bevreesd dat Geurte-moei zou raden waarop zij wachtte.

Die laatste weken was ze veel verstandiger geworden. Het spelletje met de wolken-paarden had zij er aan gegeven. Dat was toch allemaal malligheid. Wolken waren wolken en er konden geen menschen uit de lucht komen vallen.