Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jonge vrouw, dat zich schrap zette tegen haar lust om te sterven, zacht weg te glijden in eeuwige rust voor haar afmattende, kwellende denken.

O zeker, zij zou moeten blijven leven, haar lichaam zou moeten blijven bewegen en de zon zou ze moeten zien op en onder gaan, als altijd.

Maar haai denken, dat wilde ze tot zwijgen brengen

Nog eenige minuten lag zij heel stil, zonder snikken nu verder, starend naar een bleeke ster, die zij door een reet in het vermolmde plankier boven haar hoofd kon zien beven aan de grijze lucht. Buiten klonk nog steeds het wilde geraas van de vechtende en drinkende mannen.

Toen stond zij langzaam op, schoot haar jak aan en verliet haastig, schichtig de hut.

Flets-wit lag het zandpad van den hollen weg in de vaal-grauwe duisternis. Een nattige wind omhuiverde haar in haar dunne jak. Een groote angst sloeg eensklaps weer in haar óp, angst omdat ze hier zoo alleen was in den nacht, angst voor dat gebrul in de verte, angst nu ook vooral voor dien schriklijken man, haar vader, die haar zoo heftig had aangegrepen

Zij versnelde haar pas in de richting van het „Blauwe Schaap". Haarzelve was het nu maar half duidelijk meer wat ze wilde gaan doen. Het roesde en roesde maar in haar hoofd; haar slapen klopten als werd er met hamers op geslagen. Alleen helder en duidelijk was nog die angst!

Nu stond zij voor de deur van de herberg; opende haar.

Sluiten