is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terwijl hij haar hielp heur licht voorjaarsmanteltje omdoen in zacht-streelend beroeren van haar lieve, teêre lichaam,

voelde hij duidelijk, heerlijk-zeker, hoè lief hij haar had

Zij liepen nu buiten door de leêge Zondagstraten, kaal en ongezellig door de overal-neergelaten winkelgordijnen: groote wezenloos-starende vlekken wit of schreeuwendrood-in-de-zon, met leelijkc duffe winkelopschriften.

Hier en daar achter een raam eenige gezichten, slaperig en vol Zondagmiddag-verveling gapend naar de enkele voorbijgangers, wier stap hoorbaar klonk op de ledige trottoirs.

En hij, in zijn groot geluksgevoel, had eensklaps iets van minachting in zich voor die menschen, een ondeugenden lust hen te bespotten.

„Zeg Em, zag je die ouwe tante daar, achter dat horretje? Wat keek ze ons aan, of ze ons op wou eten! We geven haar een heelen middag stof tot babbelen, met 'r vriendinnen.... O, juffrouw Mietje, zoo'n aardig paartje dat hier toch straks voorbij kwam en zoo'n snoetig bloesetje as dat juffie an had en dat heertje had zoo'n mooie hoed op, echte zij weet-je, en dan toch zoo'n lief snorretje!

Wil je nog 'n anizetje? En 'n zoute-bolletje? "

Koddig bootste hij haar stem na en Emmy lachte, een kirrend lachje, zooals haar gewoonte was.

„Och malle jongen ...."

Maar hij werd nu heel erstig, boos bijna. Was het niet om je dood te ergeren over zulke menschen, die leefden en toch het mooie niet zagen en genoten, dat de