Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

glanzenden horizon, draaide een molen, loom, daar er bijna geen wind was.

Langzaam kwam een schip de vaart afzakken; kleine vuilig-groene golfjes dartelden tegen den boeg op, met gezellige plofjes weer terugvallend, en weêr opspringend, wittig-schuimend. — Een schipper in paarse hemdsmouwen liep hijgend in 't gareel, voorovergebogen, met korte zwaaiingen van zijn forsch lichaam naar links en rechts, de armen van 't lijf, slap bungelend naar omlaag. Voor op 't schip stond een klein kind, heel blond in veel zon, een vinger in 't mondje; een ros-ruige hond liep blaffende van voor naar achteren, van achteren naar voren. Aan 't roer stond droomerig een vrouw aan 't aardappelschillen.

De schipper groette en zij groetten terug en Emmy zei, dat ze zoo'n medelijden altijd had met zulke menschen, die zelfs Zondags moesten zwoegen in een gareel

Toen, na een pauze, vroeg zij of hij niet vond dat haar manteltje goed stond bij d'r japon en hoe-i d'r hoed vond en zei hij, dat-i haar hoed beelderig vond, zoo niets opzichtig, en dat haar japon goed kleurde bij haar mantel,

dat-i haar smaak eer aan deed Vervloekt, dacht hij

wrevelig, al weêr zoo'n laf, nietszeggend compliment

Maar zij scheen het prettig te vinden, want zij lachte met haar blij, tevreden kinderlachje.

Zij kwamen nu langs een klein restaurant aan de vaart. Emmy voelde zich wat moe, wat af door die zonne-hitte,

Sluiten