Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeten verlaten, waar hij als grof-werkman had gearbeid op een ijzer- en machinenfabriek, - waar hij heel zijn kleine leventje geleefd had, alleen, in een smal, benauwend steegje in een bekrompen en donker huisje.

Gezwoegd had hij daar en geslaafd, in de stad, exploiteerende zijn sterk lichaam van man voor enkele luttele guldens per week. Tot klaarheid in zijn ziel en hersenen, die klaarheid welke natuur bewonderen doet, al wat er schoon en edel is, genieten, — tot die klaarheid was hij daar nooit gekomen. Gesjouwd had hij als een lastdier, ijzeren staven getild, gezweet had hij en weêr getild en geheschen en gehamerd, met zware ijzeren hamers. Gegeten had hij op gezette tijden, geslapen 's nachts, en 's morgens heel vroeg was hij weer opgestaan om een nieuwen dag te beginnen, sjouwend en tillend.

Alleen de Zondagen was het wat anders geweest. Dan had hij zijn vuile, afgedragen plunje verwisseld voor zijn vale, oud-modische, slecht-zittende Zondagskleêren. Dan bungelde hij door de straten, onhandig met zijn lange armen, of liep een herberg in, waar hij een borrel nam.

Van de Zondagen had hij nooit gehouden; hij verveelde zich, voelde zich uit den geregelden gang der dingen, gegroeid als hij was in de botte sleur van alle dag hetzelfde.

Getrouwd was hij nooit geweest. Onverschilligheid en egoïsme, een stompe notie van het materieel beter te kunnen hebben als hij alleen bleef, hadden hem van een huwelijk teruggehouden. Toen, langzamerhand, was al wat

Sluiten