is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Boer Garrit was ook even opgehouden, gooide een ruwen vloek naar Hannes heen, die haastig, bang, weer doorgrabbelde, terwijl het zweet, kriebelig, in groote droppels langs zijn wangen liep.

In de verte was een klokje beginnen te kleppen; schroeiend brandde de zon over de stille landen, waar het hooi aan oppers stond, strak en stil, als een rij soldaten.

En langzaam, traag, dwaalden Hannes' gedachten verder af: naar zijn vader, die gisteren weêr dronken thuis gekomen was en zijn moeder geslagen had; toen naar de school, waar hij nu sinds eenige weken af was. — Hij was 'n stomkop, had de meester gezegd, die toch nooit zou kunnen leeren lezen en schrijven; de andere kinderen hadden hem altijd voor gek uitgescholden, „gekke Hannes" werd hij in het dorp genoemd. Hij gaf er niet veel om, om dien naam, maar zijn moeder maakte het woedend. Ze schold dan de kinderen uit en zei dat-ie niet gek was, alleen maar onnoozel en dat-ie een best jong was, beter dan zullie allemaal, en eens had ze Blonde-Griet met 'r klomp op d'r hoofd geslagen, zoodat die te greinen begonnen was Onnoozel noemde zijn moeder 'm. Hij

wist niet wat dat was, onnoozel, zoo min als dat-ie wist wat gek was, maar het moest wel dat zijn wat-ie zelf óok voelde: dat alles aan hem verkeerd was, dat zijn hoofd verkeerd stond en dat zijn armen verkeerd hingen en dat zijn beenen verkeerd gingen als-d-ie liep.... Ook in zijn hoofd moest wel iets anders zijn dan bij andere kinderen. Op school had hij 't al gemerkt toen-d-ie nooit