Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vader had gevloekt, toen zusje gekomen was en zus Ant geslagen dat ze 't uitgegild had. Toen was hij naar het dorp gegaan en twee nachten weggebleven; dan eindelijk, 's morgens van den derden dag, was hij thuis gekomen om zijn roes uit te slapen. Een paar dagen had hij somber rondgeloopen, iets dreigends in zijn oog, 't geen Hannes angstig in elkaar gekrompen in zijn hoekje had doen zitten, bibberend en haast zonder ademhalen. Op een avond was vader eensklaps weer uitgegaan en den volgenden morgen heel vroeg teruggekeerd, drie hazen en ettelijke kippen in zijn bol-staande boezeroen verborgen. Hard en helder had hij gelachen, zoodat moeder om het bedstee-gordijn gegluurd had en met zwakke stem gesmeekt toch wat stil te zijn voor zusje. Yroolijk had vader geroepen: „Larie, stilzijn! Ik zeg: laat Ant die beestjes braaien, dan ben je morgen weer zoo gezond en sterk als 'n os...

Zusje groeide flink. Hannes mocht haar nu dagelijks zien als ze in het teenen wiegje lag, dat vader van den zolder gehaald had en waar hij óok nog in gelegen had, vroeger, toen-d-ie een klein kindje was, had moeder hem verteld.

Daar lag zij, rozig en mollig, met groote blauwe oogen starend Hannes aan, spartelend met de kleine beentjes en grijpend met de knuistjes naar hem. Dan speelde Hannes kiekeboe met haar, verborg zijn gezicht achter 't wiegekleed en kwam dan ineens daar van achter te

Sluiten