Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Daar hebben we den hazestropper! eindelijk, eindelijk mannetje," sist boer de Roo aan zijn oor en dan voelt hij zich slaan en trappen met knoestige knuppels en ruwe, bonkige laarzen.

Hij tracht zich te verweren, maar ineens is hij zich weer bewust, wat hij altijd zich bewust geweest was vroeger: hoe zijn handen verkeerd staan en zijn voeten verkeerd staan, hoe alles aan hem sukkelig is en onhandig. Trappen wil hij en hij trapt de kolen, slaan en hij kneust zijn vingers aan 't hakhout.

Ze schoppen, de boeren, ze schoppen en slaan door, gierend om zijn lomp verweren en een begint plotseling te lachen: „Gekke Hannes!" en allen lachen, gierenmeê: „Gekke Hannes!"

Dan laten ze hem liggen, alleen in de modder, terwijl de regen weer heftiger begint te stroomen. Een snijdende pijn voelt Hannes; hij wil zich oprichten, maar hij valt terug. Schrijnender pijnt zijn been; als lam-geslagen bungelt het aan zijn lichaam.

Teruggezakt in de modder, kreunt hij. Dof, dompig is het in zijn hoofd. En alleen, even, in een schijntje helderheid, denkt hij nog aan zusje: hoe zij nu zal moeten doodgaan, omdat hij nu niet gauw, gauw naar den dokter zal kunnen loopen

1899.

Sluiten