Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

roode, glimmende snoetje tusschen de kanten gordijntjes door.

„Zoo Bas, ben jij daar jong " en naar binnen, in 't

donkere achterkamertje: „Moe, Bas is t'r...."

Even, door die vredige, rustig-heerlijke stemming, drensde in Bas toen een vage teleurstelling: dat Ka-Bet hem niet was tegemoet gesneld en hij haar had kunnen sluiten in zijn armen

Wat later, in het kleine kamertje, om de koffietafel, was het nog vertrouwder dan in 't winkeltje. Ka-Bets moeder in dof-zwarte japon, zittend in den grooten leuningstoel, de handen gevouwen in den schoot, voor haar op tafel het theelichtje met den trekpot erop. En naast hem Ka-Bet, in mooie, paarse japon, goud kruisje op de borst en schoon kraagje om den poezelen, blanken hals. Hij vroeg haar toen, of ze dien middag meeging naar „Yeelust", dat was die uitspanning buiten de stad, ze wist wel, en daar zou muziek gemaakt worden.

„Ach jong, meziek, ik hoü d'r niks-nie van " aarzelde het meisje.

„Kom Ka, je ken toch niet de heele middag thuis zitten, meid," overreedde hij.

En even nu, pijnlijker dan de eerste maal, was weer in hem die onbestemde teleurstelling, toen hij een steelschen blik opving tusschen moeder en dochter gewisseld en een vaag hoofdschudden gewaar werd, dat was als een stilzwijgende afspraak tusschen die twee.

Sluiten