is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de bootjes, haar in 't oog kregen, wist zij dat het schelden geen gebrek zou zijn.

Zóó, achter de gordijntjes glurend, zag ze dan de bootjes naderkomen. De jongens, met roode, zv. eeterige gezichten, roeiden in hun hemdsmouwen, ongelijk en schutterig; plasten hun riemen plompend in 't water, waarom de meiden, gillend, de bovenrokken over d'r hoofd sloegen. Soms ook stuurde er een aan op 't hooge riet aan den kant, dat in suizende golving dan week en zich weer sloot om het bootje met gierende pret-menschen heen.

Of ze kwamen met hun bootjes vlak onder de brug, waar ze bleven liggen schommelen en allerlei straatwijzen dreunen, hol-galmend over 't water.

Eens, terwijl ze zoo zat te kijken, had plotseling grootva, dien ze uit dacht, achter haar gestaan; had met zijn groezelige beef-hand het gordijntje weggetrokken, met een grijns van genoegen op zijn dorre, rimpelige gezicht.

En op zijn doffen, zeur-brabbelenden toon had hij gezegd : „Bert.... zeg meid.... waarom jij niet....

waarom jij niet meêdoen ? kijk die meid 's gezoend

worden .... kijk dan!.... kijk dan!!.... ha, ha, waarom jij niet Bert ? .... je bent maar ééns jong, meid ...."

En weer even, toen, juist als dien middag dat zij hem gezien had in zijn tuintje, walgde iets vreemds, als een brok dat ze niet slikken kon, naar boven in haar keel.