is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar voor oogen het tooneeltje van eenige weken geleden : zij op het vlondertje bezig goed te spoelen: Joost

stil achter haar komend, en dat zeggend! O, ik haat

hem ik haat hem en als grootvader dat denkt....

nooit, nóóit nog liever verdrink ik me

Eindelijk, tegen den morgen, viel zij in een onrustigen sluimer

VI.

Maar het bleef nu Joost voor en Joost na. Sanders sprak van niets anders meer; de bezoeken aan Wemel vermenigvuldigden; op alle uren van den dag wipte hij er heen; bijna geregeld nu keerde hij wankelend terug.

's Zondags, in de roeibootjes onder de brug, brulden de jongens en meiden zinspelende liedjes op Joost en haar, onder begeleiding van een schorre harmonica. Jóóst achtervolgde haar overal, 't Zal me nog gek maken, dacht ze soms, bang.

In 't huisje was het nu heelemaal niet meer voor haar uit te houden. Gejaagd raffelde ze haar werk af en snelde dan naar buiten, de vrije lucht in.

Het was nu in het vroege voorjaar en de norsche fronsel-luchten van den winter werden nu langzamerhand van een flets bleek-blauw, verblauwend met den dag. De horizonnen werden scherper en wijder naar alle kanten; geen nevels hingen meer drukkend over de weilanden heen.