is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan den huizenkant waren nog altijd de jongens aan 't spelen en hingen de mannen, in groepjes hier en daar verspreid, loom tegen de muren aan. — Dat waren de mannen van de schepen niet; dat konden de mannen van de schepen niet zijn dacht Fietje. —

De meesten van hen hadden zich om het kroegje geposteerd ; van tijd tot tijd gingen er een paar naar binnen en dan gluurden de anderen tusschen de groene gordijntjes van het venster door.

Voetje voor voetje draalde Fietje naderbij; ze dorst niet in huis gaan, nu die nare vreemde mannen daar allen op de stoep stonden. — En plotseling had ze er een paar, met een schrikje herkend. Het waren toch de mannen van de schepen.

Langzaam sloop ze weer een eindje terug, naar het water toe, en daar ging ze zitten op een paal, en liepen groote tranen langs haar wangen.

Toen was Fietje opeens heel boos op het kroegje geworden, als was dat een monster dat de mannen wegtrok van de schepen en hen zoo leelijk maakte, zoo leelijk sloffend loopen liet en zulke leelijke, gekke bewegingen liet maken met hun armen.

Telkens zag zij er een paar naar binnen gaan, en als ze dan een poosje later weer buiten kwamen, dan liepen ze nog wat leelijker en deden nog wat gekker met hun hoofden en armen.

Dat was hun huis, dacht Fietje, hun stoute huis en