is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fabriekswanden af, kwam als neêrregenen over hem heen.

Gijs .... dat was 'n vent....

Haastig hinkelde hij het gangetje ten-einde, klopte zich even de sneeuw van zijn schouders en opende de deur waarboven het licht was.

In een hoek van 't relle, wit-wandig vertrek, onder een hoog uit-waaierende gasvlam, lag Geite-Gijs op zijn knieën, een groote kist dicht te spijkeren. Een andere man, een oudere, stond er bij en zag toe.

„n Avond...." zei Bertels, ,en dan, met een vloek: ,,'n Hondenweêr buiten, wa-blief "

Gijs hield op te hameren, keerde zijn rossig hoofd naar de deur.

„Zoo oliekoek, wat kom jij doen ?" vroeg hij geringschattend, met iets argwanends in zijn grimmig oog.

De oude, die even geknikt had, grinnikte. Bertels bromde wat van „jou niet angaan," kwam wat naderbij en ging tegen een der witte muren staan. — Eigenlijk was al zijn lust naar kameraadschap met dezen ruwen kerel daar op den grond, geweken zoodra hij hem daar gezien had, liggend half op de kist, in zijn grauw-linnen kiel, waar zijn groot hoofd met den ruigen bos rood haar half in scheen weggezakt: zooals hij daar lag had hij veel van een wild dier, dat een prooi omklemde.

Maar Gijs scheen met zijn werk gereed te zijn. — Hij richtte zich op, kleine, gedrongen gestalte met vierkante, wat hooge schouders, waar dadelijk het hoofd, zonder hals, op leek te staan. Zijn hamer had hij den oude