Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

In 't dompig kroegje, voor de morsige toonbank waar Willem Donkers tapte, hadden ze 't er over gehad.

Te midden van 't lawaai der grove stemmen, vloekende over het weêr dat ook niets meegaf, had Geert van Blarum, breed in zijn witten kiel, een rood-verhit gezicht en een bos piekig haar van onder zijn bestoven zak uit, het aan den waard gevraagd: of hij 't al gehoord had,

van Ouwe Jan z'n dochter, die teruggekomen was ?

en onmiddellijk waren de anderen er tusschen gevallen, in een geharwar nu van stemmen die het kroegje vulden: De meid van Ouwe Jan, die 't indertijd zoo smerig had laten liggen was teruggekomen; d'r vent was dood, gestorven ergens in Amsterdam, waar ze een groentenzaakie moesten gehad hebben en nou was Greta teruggekomen, dien morgen, met 'r kind, terwijl de schuit aan de Achtergracht lag, om gelost te worden....

In het rosse licht van de slecht-brandende hanglamp, om de nat-bepetste schenktafel, drongen de meeldragers

Sluiten