Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich geheel doorweekt en huiverig; een rilling voer over zijn mager karkasje. Ezel dan ook die hij was, van niet naar beneden te gaan in de kajuit, waar hij licht kon aansteken

en droog blijven Zoo dacht hij nu even; dan, plots zich

bezinnend wie hij daar vinden zou, ging hem als een steek door zijn borst en kreunde hij even zacht, of hij pijn had.

Hij had zich nu opgericht, ging langzaam een eind het dek op en bleef staan bij den mast, waar hij, leunend tegen 't klam-beregende hout, zijn oog nu onverschillig waren liet over 't herbegonnen werk: de mannen die zijn ruim losten.

Recht-onder hem gaapte een diepe donkerte met fletswit geschemer der opgestapelde meelzakken, en telkens, langs het smalle laddertje naar boven, zag hij nu de lossers daaruit opkomen, licht-gebogen onder hun buitenden last met langzaam vertasten van hun rechter, vrije, hand aan den glad-ronden leuning-stok. Dan, eenmaal boven, stonden de meesten even stil, wipten, met een kort geschouder-schurk, den zak wat hooger in den nek en gingen door, nu haastiger langs den dek-rand, de loopplank over en de kaai op, waar ze in het pakhuis verdwenen. — En steeds bleef het regenen, als een fijn-grijs gewolk om hem heen, een waas waarachter alles vaag, onduidelijk lag weggedoken, de voor- en achtersteven van het schip, de schuiten verderop en de huizen aan den wal. Boven hem was de hemel als besmeurd met roetige wolkstrepen, en het was of hij den schemer in donker genevel zich spreiden zag, öm hem, over hem heen.

Sluiten