is toegevoegd aan je favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mooglijk ineengerold, lag Doris nog in diepen slaap. Den mond half open, de wangen bruin-blozend van zon en gezondheid, lag hij daar zoo rustig als een kind, zijn linker arm als een kussen onder zijn hoofd, de vingers van zijn rechterhand om een eind touw geklemd. Zijn olie-blond haar, nu zonder de eeuwige pet, leek een boeket van kleine krulletjes, en bij het rustig-regelmatig ademhalen borrelde telkens een rochelend snurkgeluidje achter in zijn keel.

De oude man had zich opgericht, keek op zijn horloge: kwart vóór vijven.

Toen heesch hij zich half uit het roeije in de buitenlucht en zag om zich heen.

Van over het van dauw glimmend dek zijner schuit zag hij het grachtje met de lage huizenrijen nog geheel verlaten liggen, druipend van vocht. De meeste der raam-vierkanten waren nu doffe, flets-witte vlekken onder de hobbelige gevel-lijn, alleen hier en daar een enkel lichtpitje schrompelig-verbleekt in den valen morgen. Maar van uit de Broodfabriek, vlak vóór hem, die nu nog geweldiger opklompte tegen de lucht, gloeiden nog onverminderd de vurige schijnsels van den vorigen avond, als een hel van licht, en klonk nog altijd het zware gedreun, dat van onder den grond scheen te komen.

Toen, bij 't laten glijden van zijn blik langs 't dek van zijn schuit, waar al de bekende dingen als in-te-misten stonden van den morgendamp, bleef zijn oog voor éen seconde op het luikje aan de achterplecht; maar meteen