Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kende lijf, de beenen bungelend aan één kant, zat Doris handzoentjes te gooien te midden van een troepje dienstmeiden, dat schaterend op de brug voor't paard uiteen stoof.

Zij waren nu weer afgevaren, en buiten de stad. Bruin stond thans in 't gareel en stapte rustig over 't smalle jaagpaadje, Doris op zijn rug, die hem af en toe

aanporde met: „Hu dan Bruin, vrrrt dan jong " of

hem plagerig tegen de zijden klatste. De oude man, bij het roer, zag die twee voor zich uit als een donkere massa hobbelen tegen de druilend-grauwe lucht.

Om hem heen was het land nu aan alle kanten vlak, zwartig-rulle wintervelden, door smalle, grijze slootjes gescheiden, waarover een blauwige mist laag neêrwolkte, die 't ver uitzien belette. Er lag over die velden een paarse gloed van vochtigheid en een vreeind-rinsche aard-geur waarde om, als een uitdamping van den grond. Af en toe blokte een huis of een schuurtje op uit den nevel, de muren glimmend van nat, dat van de rieten daken lekte met een traag, aanhoudend gedruppel. Dan, in 't langs-varen, waren het telkens kleine stukjes binnenhuis-leven, die aan zijn oog voorbij gingen: kamers, waar nog de lamp brandde en menschen om de tafel zaten, bij brood en koffie in witte kannen. Het was dan telkens even als een gezelligheidje, een lokkende warmte temidden van het vaal-verlaten, koud-vochtige land. En van lieverlede steeg weer in hem dat naar-leêge gevoel van groote eenzaam-

Sluiten