is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote leeraren der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zeker, daar lag, verborgen onder meetkunstige lijnen, de sleutel van het heelal, de kennis der getallen, de drievoudige wet die de samenstelling van alle wezens beheerscht, zoowel als de zevenvoudige wet, die hunne ontwikkeling regelt. En in een grootsch visioen zag Pythagoras hoe de werelden voortbewogen werden volgens den rythmus en de harmonie der heilige getallen. Hij aanschouwde het evenwicht van hemel en aarde, in stand gehouden door den menschelijken vrijen wil, de drie werelden: de natuurlijke, menschelijke en goddelijke, die elkander steunen en aanvullen en het drama van het heelal opvoeren door een nederdalende en een opwaartsche beweging. Hij doorgrondde de sferen der onzichtbare wereld die de zichtbare omgeven en voortdurend belevendigen; en eindelijk begreep hij de loutering en de vrijmaking van den mensch reeds op deze aarde door de drievoudige inwijding. Hij zag dit alles evenals zijn leven en zijn werk in een plotselinge heldere openbaring, met die onbetwistbare zekerheid van den geest, die zich tegenover de Waarheid geplaatst voelt. Het trof hem ais een bliksemstraal. — Doch nu was de groote kwestie door de Rede te bewijzen, wat zijn zuiver Verstand in het Absolute achterhaald had; en daarvoor was een geheel menschenleven en een reuzenwerkkracht noodig.

Maar waar was de noodige kennis te vinden om een dergelijken arbeid tot een goed einde te brengen ? Noch de zangen van Homerus, noch de wijzen van den Ionischen Staat, noch de tempels van Griekenland