is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote leeraren der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De jeugdige Theoclea behoorde tot het college deipriesteressen van Apollo. Zij stamde af uit een van die families, waarin de priesterlijke waardigheid erfelijk is. De verheven indrukken uit het heiligdom, de plechtigheden van den eeredienst, de lofzangen en de feesten ter eere van den Pythischen en Hyperboreeschen Apollo hadden haar jeugd vervuld. Men moet haar zich denken als een van die jonge meisjes, die een aangeboren en onwillekeurigen afkeer hebben van alles wat de andere aantrekt. Zij houden niet van Ceies en vreezen Venus. Want de dichte aardsche atmosfeer schrikt haar af en de vaag begrepen lichamelijke hartstocht schijnt haar een schending der ziel, een vernietiging van haar rein, maagdelijk wezen toe. Daarentegen zijn zij wonderbaar gevoelig voor geheimzinnige stroomingen en astrale invloeden. Wanneer de maan de donkere heesterboschjes om de Castalische bion bescheen, zag Theoclea er witte gedaanten doorheen zweven. Op klaarlichten dag hoorde zij stemmen. Wanneer zij zich aan de stralen der opgaande zon blootstelde, brachten die trillingen haar in een soort van geestvervoering, waarin zij onzichtbare koren hoorde. Toch was zij zeer ongevoelig voor het volksbijgeloof en de afgoderij in den eerdienst. De beelden lieten haar onverschillig en zij verafschuwde de dierenoffers. Zij sprak tegen niemand over de verschijningen, die haar slaap verstoorden. Zij gevoelde met het instinct der helderzienden, dat de priesters van Apollo niet de hoogste kennis bezaten, die zij noodig had. Toch hadden deze het oog op haar geslagen, om haar