is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote leeraren der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het zingenot op zichzelf niet bestaat en vergeleek het bij — „het gezang der Sirenen, die verdwijnen zoodra men haar nadert en in haar plaats slechts gebroken beenderen en bloedig vleesch op een door de golven verweerde klip achterlaten, terwijl de ware vreugde gelijkt op de muziek der Muzen, die een blijvende hemelsche harmonie in de ziel uitstort." Pythagoras geloofde in de deugden der ingewijde vrouw, maar hij koesterde een sterk wantrouwen tegen de oningewijde vrouw. Toen een leerling hem eens vroeg, wanneer het hem veroorloofd zou zijn een vrouw te naderen, antwoordde hij ironisch : „Zoodra gij uw rust moede zijt."

De dag der Pythagoreërs was op de volgende wijze ingedeeld. Zoodra de vurige zonneschijf uit de blauwe golven der Ionische zee oprees en de zuilen van den Muzentempel, boven de woning der Ingewijden gelegen, met haar gouden schijnsel overgoot, zongen de jonge Pythagoreërs een lofzang ter eere van Apollo, terwijl zij een Dorischen dans vol kracht en wijding uitvoerden. Na de voorgeschreven wasschingen deed men zwijgend een ommegang door den tempel. Ieder ontwaken is een opstanding, die de bloem der onschuld draagt. De ziel moest aan den aanvang van den dag tot zich zelf inkeeren en zich reinhouden voor de morgenles. In het gewijde bosch vereenigde men zich rondom den Meester of een zijner vertolkers en de les duurde voort onder de koelte der hooge boomen of in de schaduw der portieken. Op het middaguur werden gebeden gericht tot de Helden en de goedge-