is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote leeraren der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Aeschyles begint de strijd met een uitroep, die veel gelijkt op den Paean, den lofzang ter eere van Apollo: — „Weldra verspreidde de Dag, gezeten op zijn wagen met witte paarden bespannen, zijn schitterend licht over de wereld. Op dat oogenblik stijgt uit de gelederen der Grieken een langdurig gejuich omhoog, rhythmisch als een gewijd gezang en de echo's op het eiland geven met duizenden heldere stemmen antwoord." — Is het te verwonderen, dat de Hellenen, dronken door den roes der overwinning, in den slag bij Mycale tegenover het overwonnen Azië als oorlogskreet gekozen hebben: Hébé, de eeuwige Jeugd? Zeker, de adem van Apollo bezielt die wonderbare Medische oorlogen, de godsdienstige geestdrift die wonderen doet, levenden en dooden meesleept, de zegeteekenen doet schitteren en een gulden glans werpt over de graven. Alle tempels zijn verwoest, alleen die van Delphi is blijven staan. Het Perzische leger naderde om de heilige stad te vermeesteren. Ieder beefde. Maar de Zonnegod sprak door den mond van den hoogepriester: — „Ik zal mijzelf verdedigen!" — Op bevel van de priesterschap verlaten allen de stad, de bewoners zoeken een schuilplaats in de spelonken van den Parnassus ; slechts de priesters blijven met de heilige wacht op den drempel van het heiligdom. Het Perzische leger trekt de stad binnen, waar alles stil is als in het graf; slechts de standbeelden zien toe. Donkere wolken pakken zich aan het einde der schacht samen, de donder rommelt en bliksemstralen treffen de overweldigers. Twee reusachtige rotsblokken rollen van den top van den Parnassus